21 september 2015

Andere bij het verzoekschrift neergelegde stukken zijn zo onvolledig en onbetrouwbaar dat ze niet in aanmerking kunnen komen als stukken die op straffe van niet ontvankelijkheid van de vordering moesten worden neergelegd samen met het verzoekschrift. Zo maakt de externe boekhouder een groot voorbehoud bij de balans en de resultatenrekening per 30 juni 2014, waardoor dit document niet aanzien kan worden als “een boekhoudkundige staat die het actief en het passief weergeeft en de resultatenrekening die drie maand oud is” zoals voorzien in artikel 17, § 2, 5° WCO.

 

Hetzelfde geldt voor de liquiditeitsprognose augustus-december 2014. Ook hier ging de externe boekhouder ervan uit dat de omzetvooruitzichten waarop de prognose is gebaseerd, niet geloofwaardig is, omdat in het verleden “nog nooit dergelijke besomming bij elkaar werd gevist”, waardoor dit document niet aanvaard kan worden als “een begroting met een schatting van de inkomsten en uitgaven voor ten minste de gevraagde duur van de opschorting” (art. 17, § 2, 6° WCO)”.