3 mei 2018

Het Hof van Beroep oordeelde inzake de inbreng van de schuldvorderingen:

Krachtens art. 2.4.2., zesde streepje van de Controlenormen [inbreng in natura en quasi-inbreng] dient de bedrijfsrevisor de nodige controles te verrichten en onder meer de elementen te beschrijven die, bij incorporatie van vorderingen in het kapitaal, aan de oorsprong liggen van die vorderingen van de inbrenger op de vennootschap.

Niet blijkt dat dat bedrijfsrevisor zich van deze door de Controlenormen opgelegde verplichting gekweten heeft, en aan de hand van objectieve elementen het bestaan en de waarde van de schuldvorderingen voor de som van 5.995.453 euro heeft vastgesteld, (…)”   

(…) kon zonder de opbouw en het normale karakter van de schuldvorderingen na te gaan niet tot het onderbouwde besluit, zonder voorbehoud, komen dat de door de raad van bestuur gekozen waarderingsmethode van inbreng aan nominale waarde, in deze niet onredelijk of arbitrair was en (impliciet) niet leidde tot een overwaardering van de inbreng.

Ditzelfde geldt voor wat betreft het gebrek aan beoordeling van de solvabiliteit en kredietwaardigheid van de twee inbrengers.

(…)

De samenlezing van het voorgaande houdt in dat (…) alles samen genomen, een kennelijk manifeste fout beging in de uitvoering van haar opdracht die een normaal diligent bedrijfsrevisor in dezelfde omstandigheden redelijkerwijze niet zou hebben begaan.”


De appelrechters sluiten zich in het besproken arrest aan bij het standpunt van het vonnis van de eerste rechter van 7 november 2016 - A-14-03347 Rechtbank van Koophandel Turnhout (https://www.icci.be/nl/rechtspraak/jurisprudence-detail-page/vonnis-nog-niet-definitief-van-7-november-2016-a-14-03347-rechtbank-van-koophandel-turnhout)

en wijst de aansprakelijkheid van de commissaris voor vermeende tekortkomingen in de controletaak af op grond van volgende vier overwegingen:

  • de vermeende verplichting voor de commissaris tot waarschuwing voor de gevolgen van de vereniging van alle aandelen in één hand  (de groepsvennootschap was de enige aandeelhouder geworden van de dochtervennootschap) mist wettelijke grondslag;
  • de commissaris moet de algemene vergadering wel inlichten over bepaalde inbreuken op het W.Venn., doch in de NV vormt de vereniging van alle aandelen door één aandeelhouder geen inbreuk op de wet: de wetgever heeft de gevolgen van die toestand precies geregeld in art. 646 W.Venn.;
  • de vermelding van de vereniging van alle aandelen conform art. 646, §2 W.Venn. in het vennootschapsdossier is niet de verantwoordelijkheid van de commissaris, wel van de eenhoofdig geworden vennootschap zelf;
  • het door de curatoren geformuleerde verwijt mist ook feitelijke grondslag: in de jaarrekening werd uitdrukkelijk  vermeld dat de groepsvennootschap 100% van de aandelen bezat in de dochtervennootschap.

Het Hof van Beroep voegt daar nog het volgende aan toe : “Slechts in zeer beperkte mate is de collectieve schade waarvoor de curatoren vergoeding kunnen vorderen bewezen, en van deze zeer beperkte collectieve schade is niet aangetoond dat zij in causaal verband staat tot de door de geïntimeerde als bedrijfsrevisor begane fouten.” Met betrekking tot de aansprakelijkheid als bedrijfsrevisor concludeert het arrest dat “de vordering van de curatoren ongegrond is bij gebreke aan het bewijs van een oorzakelijk verband tussen de weerhouden fouten als bedrijfsrevisor en de (slechts minimaal bewezen) collectieve schade.”